
The month of May
may be, just maybe,
dark instead of light
gray in it’s pinkness of the blooms
spiked instead of bright
and in itself fully strewn
by the longing for what we can not foresee
May may be, just maybe,
solely held together by debris
Mijn zoeken is onwezenlijk groot, oneindig bijna.
Het wordt door niets meer begrensd dan door het zoeken zelf.
In het zoeken zit slechts de mogelijkheidsvoorwaarde tot het vinden,
maar niet wat het vinden werkelijk maakt.
In dat vinden ligt de begrenzing bij dat wat het wezenlijke van de vondst zelf is.
Dat wat licht werpt op wat zoeken in zichzelf daadwerkelijk is.
De sleutelbewaarder van mijn woordenkamer dwingt me
tot het expliciteren van mijn gedachten,
misschien mijn denken.
Bewust worden van zien hoe de klik klonk.
Hij kijkt toe. Ik schuifel binnen.
Hij hoort de woorden die naar buiten treden.
Elke nieuwe ooit verscholen vondst.
Hij leest ze niet. Ze dringen door
tot in zijn ruimte waarin hij ze bij een
vaak te zwak lampje voelt in hun betekenis.
Soms ontmoeten de woorden en de gedachten elkaar
als de meester en de leerling samen
het schijnsel van de nacht aanschouwen.
Ze versmelten en zo ook de woorden.
Ze spreken en daarmee ook de verschillen.
Ze botsen
en zo ontstaat de veruitwendiging van hun eenheid.
in woord, beeld en geluid.